Denk jij dat je enkel kan filosoferen met kinderen wanneer ze rustig in een kring zitten? Mijn collega Ilse Daems bewees onlangs in een boeiende workshop dat het ook anders kan.
Voor Ilse is filosoferen spelen en spelen filosoferen. Ze doet ze zoveel mogelijk tegelijk. En zo geeft ze de (jonge) kinderen waarmee ze werkt, het signaal dat “filosoferen niet iets is wat je doet als je er de bepaalde setting en ideale omstandigheden voor hebt. Voortaan maakt filosoferen onlosmakelijk deel uit van hun gewone leven zoals het is.”
De manieren die ze bedacht om jonge kinderen (vooral kleuters) intens te betrekken bij het denken, deelde ze op een zaterdagmiddag met een groepje kinderfilosofen.
Drie voordelen van filosoferend spelen
- Kinderen die spelen gaan – als het goed zit – helemaal op in dat spel. Zij beslissen immers zelf hoe ze spelen en beleven er veel plezier aan. Hun betrokkenheid en enthousiasme zijn een prima basis om een gezamenlijk denkonderzoek te starten. Dat is dus iets helemaal anders dan een leerkracht die beslist ‘dat we nu maar eens gaan nadenken over thema X’.
- Filosoferen is een talige activiteit, maar spelen kan je in welke taal dan ook. Kijk maar eens wat er op de camping gebeurt met kinderen die een verschillende taal spreken: zij vinden elkaar toch in hun spel. Spelen zelf is een taal die elk kind begrijpt.
- Er is niets dat zoveel ruimte schept voor verwondering, als spelen. Kinderen merken dingen op (“Dat is toch valsspelen!”, “Mijn tekening is helemaal mislukt!”) en het zijn die elementen die je kan gebruiken om de groep aan het denken te zetten (“Waren er dan spelregels?”, “Kan een tekening mislukken dan?” Hoezo?”). Je geeft daarmee de verwondering en het vragen stellen terug aan de kinderen.